overvliegen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • over·vlie·gen
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
overvliegen
vloog over
overgevlogen
klasse 2 volledig

Werkwoord

overvliegen

  1. ergatief ergens overheen vliegen
    • In deze polder kan je in de herfst hele zwermen vogels zien overvliegen. 
    • Dat vliegtuig is nu al drie keer komen overvliegen, als die maar niet in de problemen zit! 
  2. ergatief van de ene afdeling naar de volgende gaan, bijvoorbeeld bij scouting
    • Nu zij zeventien werd zou ze overvliegen van de Zeemeeuwen naar de Najaden. 
  3. overgankelijk iets met een vliegtuig ergens brengen
    • De nieuwe tenten worden volgende week overgevlogen. 
Hyperoniemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.