achteren

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ach·te·ren
Woordherkomst en -opbouw
  • Afleiding van achter met het achtervoegsel -en.

Bijwoord

achteren

  1. van ~ aan de achterzijde, vanaf de achterzijde
    • Het huis is van achteren opnieuw geverfd. 
    • De agent werd van achteren aangevallen. 
  2. naar ~ in achterwaartse richting
    • Zij kamde haar haar naar achteren. 
  3. van voren tot achteren: geheel en al
    • Het schip werd van voren tot achteren overspoeld door de plotselinge golf. 
  4. (verouderd) ten ~: achterlijk, achterlopend
    • Deze klok loopt ten achteren. 
    • Gij zijt ten achtren, Roen! Schud af die malle droomen![1] 
Antoniemen

Gangbaarheid

97 % van de Nederlanders;
86 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. Nicolaas Beets: in het gedicht Nog ten achteren


Achterhoeks

Bijwoord

achteren

  1. achteren


Nedersaksisch

Bijwoord

achteren

  1. achteren
Schrijfwijzen