verzolen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ver·zo·len
Woordherkomst en -opbouw
  • Afgeleid van zool met het voorvoegsel ver-
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
verzolen
verzoolde
verzoold
zwak -d volledig

Werkwoord

verzolen overgankelijk

  1. (leerbewerking) de zool van een schoen vervangen
    • Ik heb deze schoenen laten verzolen. 
  2. (techniek) het loopvlak van een autoband vervangen
    • Er waren nog enkele verzoolde achterbanden te koop. 
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

84 % van de Nederlanders;
54 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be