loopvlak

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Het geprofileerde loopvlak van een autoband

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • loop·vlak
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord loopvlak loopvlakken
verkleinwoord loopvlakje loopvlakjes

Zelfstandig naamwoord

loopvlak o

  1. (techniek) het gedeelte van een voet, wiel, slee etc. dat met de ondergrond in aanraking is
    • Het loopvlak is scheef afgesleten. 
Synoniemen
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
97 % van de Vlamingen.