arrojar
Uiterlijk
- a·rro·jar
arrojar
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| infinitief | verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| arrojar |
arrojaba |
arrojado |
| volledig | ||
- onovergankelijk overgeven, braken
- overgankelijk smijten, werpen, wegwerpen, gooien, weggooien
- ontslaan, eruit smijten, eruit gooien
- afscheiden, uitstoten
- opleveren