toga

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • to·ga
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord toga toga's
verkleinwoord togaatje togaatjes

Zelfstandig naamwoord

toga v/m

  1. ceremonieel kledingstuk voor professor, advocaat en rechter
    Toen de rechter zijn toga uitdeed werd hij een veel minder indrukwekkende verschijning.
Hyponiemen
Schrijfwijzen
Gelijkklinkende woorden
Synoniemen
Antoniemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Verwijzingen
Citaten
Spreekwoorden
Uitdrukkingen en gezegden
Vertalingen

-->

Meer informatie

Noors

Uitspraak
Woordafbreking
  • to·ga
Woordherkomst en -opbouw
  • Afkomstig uit het Latijn, afgeleid van het Latijnse werkwoord tegere.

Zelfstandig naamwoord

toga m

  1. toga
Verbuiging
m enkelvoud meervoud
onbepaald bepaald onbepaald bepaald
nominatief   toga     togaen     togaer     togaene  
genitief   togas     togaens     togaers     togaenes  

Zelfstandig naamwoord

toga, mv

  1. onbepaalde vorm nominatief meervoud van tog
Synoniemen


Nynorsk

Uitspraak
Woordafbreking
  • to·ga
Woordherkomst en -opbouw
  • Afkomstig uit het Latijn, afgeleid van het Latijnse werkwoord tegere.

Zelfstandig naamwoord

toga m

  1. toga
Verbuiging
m enkelvoud meervoud
onbepaald bepaald onbepaald bepaald
nominatief   toga     togaen     togaar     togaane  
genitief                        

Zelfstandig naamwoord

toga, mv

  1. bepaalde vorm nominatief meervoud van tog
Synoniemen