toga

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • to·ga
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘kleed’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1734 [1] [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord toga toga's
verkleinwoord togaatje togaatjes

Zelfstandig naamwoord

toga v/m

  1. (kleding) ceremonieel kledingstuk voor professor, advocaat en rechter
    • Toen de rechter zijn toga uitdeed werd hij een veel minder indrukwekkende verschijning. 
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen


Noors

Uitspraak
Woordafbreking
  • to·ga
Woordherkomst en -opbouw
  • Afkomstig uit het Latijn, afgeleid van het Latijnse werkwoord tegere.

Zelfstandig naamwoord

toga m

  1. toga
Verbuiging
m enkelvoud meervoud
onbepaald bepaald onbepaald bepaald
nominatief   toga     togaen     togaer     togaene  
genitief   togas     togaens     togaers     togaenes  

Zelfstandig naamwoord

toga, mv

  1. onbepaalde vorm nominatief meervoud van tog
Synoniemen


Nynorsk

Uitspraak
Woordafbreking
  • to·ga
Woordherkomst en -opbouw
  • Afkomstig uit het Latijn, afgeleid van het Latijnse werkwoord tegere.

Zelfstandig naamwoord

toga m

  1. toga
Verbuiging
m enkelvoud meervoud
onbepaald bepaald onbepaald bepaald
nominatief   toga     togaen     togaar     togaane  
genitief                        

Zelfstandig naamwoord

toga,

  1. bepaalde vorm nominatief meervoud van tog
Synoniemen