toevalligheid

Uit WikiWoordenboek

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • toe·val·lig·heid
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord toevalligheid toevalligheden
verkleinwoord toevalligheidje toevalligheidjes

Zelfstandig naamwoord

de toevalligheidv

  1. iets wat door toeval is gebeurd en geen regel is
    • Het winnen van de staatsloterij is een toevalligheid. 
    • „Ongelooflijk verdrietig”, werd Meijer toen ze het nieuw over de doodgeschoten honden eerder deze week hoorde. „Dit moet je géén incident noemen”, vindt zij. Ze bedoelt daarmee dat de agressieve reactie van deze honden niet gezien moet worden als een toevalligheid.[2] 
Verwante begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
95 % van de Vlamingen.[3]

Verwijzingen