pech

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Jump to search

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • pech
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Duits, in de betekenis van ‘tegenspoed’ voor het eerst aangetroffen in 1901 [1]
  • [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord pech -
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

pech m

  1. de conditie waarin er tegenslag te verwerken is die niet door eigen schuld veroorzaakt is
    • Vorig jaar wilde hij medicijnen gaan studeren, maar hij had enorme pech want ondanks zijn acht gemiddeld kwam hij niet door de loting. 
Antoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
  • pech krijgen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen