toekomstig

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • toe·kom·stig
Woordherkomst en -opbouw
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen toekomstig toekomstiger toekomstigst
verbogen toekomstige toekomstigere toekomstigste
partitief toekomstigs toekomstigers -

Bijvoeglijk naamwoord

toekomstig

  1. van de tijd die komen gaat, wat nu nog niet bestaat, komend
    • Ik wil graag naar mijn toekomstige huis kijken. 
     Het STAP-budget is bedoeld om werkenden en werkzoekenden te stimuleren zich te laten om- of bijscholen. Wie aan de voorwaarden voldoet, kan een tegemoetkoming in de studiekosten ontvangen van maximaal 1.000 euro per jaar. Voorwaarde is wel dat de opleiding is gericht op huidig of toekomstig werk.[1]
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[2]

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 30 juni 2022 Weblink bron “STAP-budget al binnen 2,5 uur op door stortvloed aan aanvragen” (01 juli 2022), NU.nl
  2. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be