stoeterij

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • stoe·te·rij
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Duits, in de betekenis van ‘paardenfokkerij’ voor het eerst aangetroffen in 1778 [1]
  • afgeleid van het Duitse Stute (merrie) met het achtervoegsel -erij [2] [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord stoeterij stoeterijen
verkleinwoord stoeterijtje stoeterijtjes

Zelfstandig naamwoord

stoeterij v

  1. (veeteelt) het bedrijfsmatig telen van paarden
     De koningin, die bekendstaat als groot paardenliefhebber, genoot zichtbaar van het evenement, zeker toen er op het hoogtepunt van de show dieren uit haar eigen stoeterij voorbij werden geleid. Met een deken over haar benen en een sjaal om volgde ze de show aandachtig en knikte ze soms instemmend bij alle lof.[3]
  2. (bedrijf) (veeteelt) de bedrijfslocatie waar paarden worden geteeld
Synoniemen
Hyperoniemen
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

84 % van de Nederlanders;
86 % van de Vlamingen.[4]

Meer informatie

Verwijzingen