stamboek

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Bioscoopjournaal uit 1962 over de keuring van Fries stamboekvee
in de vitrine het stamboek voor het Belgische trekpaard
Uitspraak
Woordafbreking
  • stam·boek
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord stamboek stamboeken
verkleinwoord stamboekje stamboekjes

Zelfstandig naamwoord

stamboek o

  1. (veeteelt) register waarin je kunt nagaan wat de voorouders van een bepaald dier zijn
    • `Erfelijkheid', zei partijleider Troelstra in 1921 bij het debat over de grondwetsherziening in de Tweede Kamer, 'moge een geschikt leidend beginsel zijn voor paard- en rundveestamboeken, voor het bekleden van politieke ambten kan het nu eenmaal geen leidraad geven» [2] 
    • Slot speelde al langer met het idee voor een fokdag die openstaat voor alle Haflingers, ongeacht het stamboek waarbij ze staan ingeschreven. „Je hebt zoveel verschillende stamboeken voor Haflingers", zegt Slot. „Alleen in Nederland zijn het er al twee. En in Duitsland heeft elke regio zijn eigen stamboek. Allemaal met eigen keuringen en tentoonstellingen. Het leek me leuk om dat een keer bij elkaar te brengen."[3] 
  2. register waarin je kunt nagaan wie de voorouders van een bepaald mens zijn
Synoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
94 % van de Vlamingen.[4]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. stamboek op website: Etymologiebank.nl
  2. Withuis, Jolande Juliana [2016] ISBN 978-90-234-3523-5 pagina 171
  3. Tubantia 18-08-17
  4. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be