stimulus

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • sti·mu·lus
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord stimulus stimuli
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

stimulus m

  1. een verandering in de uitwendige of inwendige omgeving waarop een organisme reageert
    • Het is altijd een strijd, vooral rond het moment dat het doek klaar lijkt. Er is geen externe stimulus die zegt: Peter, het doek is klaar. Ik moet daar zelf over beslissen. En dat beleef ik vrij intens. Het is stressen, maar na het besluit is het klaar. Het is zo intens omdat je beseft: hoe mooier het doek wordt, hoe groter de kans het toch nog fout te doen.” [1] 
    • De besluitvorming bij muizen was vrij simpel. Als de het sapje - de beloning - voldoende groot was, en de onaangename stimulus - de wind in hun snoet - was klein, kozen ze zonder aarzelen voor de beloning. Die was de kleine en korte hinder wel waard. De positieve beloning won van de negatieve gevolgen. [2] 
Synoniemen
Antoniemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

87 % van de Nederlanders;
91 % van de Vlamingen.[3]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Tubantia T. Hakkert 7 januari 2018 Enschedese kunstenaar heeft rust gevonden in Shanghai
  2. Tubantia M. van Leeuwen en A. Wellens 13 augustus 2018 Waarom het glas van pessimisten altijd halfleeg is
  3. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be