stimuli

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • sti·mu·li

Zelfstandig naamwoord

stimuli mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord stimulus

Gangbaarheid

84 % van de Nederlanders;
92 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be