sofa

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken
Andere schrijfwijzen Niet te verwarren met: sofàsofá

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • so·fa
enkelvoud meervoud
naamwoord sofa sofa's
verkleinwoord sofaatje sofaatjes

Zelfstandig naamwoord

sofa m

  1. (meubel) een gestoffeerde zitbank met een rugleuning
    • Het kind had per ongeluk cola over de gloednieuwe sofa gegooid. 
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders
98 % van de Vlamingen.

Meer informatie


IJslands

Uitspraak
  • IPA: /ˈsɔːva/
Woordherkomst en -opbouw
  • Afkomstig van het Oudnoorse sofa.
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden tijd voltooid deelwoord
(supinum)
3e pers enk. 1e pers mv.
sofa svaf sváfum sofið
volledig

Werkwoord

sofa

  1. slapen


Noors

Uitspraak
Woordafbreking
  • so·fa
Woordherkomst en -opbouw
  • Afkomstig uit het Arabisch
Naar frequentie 8853
  enkelvoud meervoud
onbepaald bepaald onbepaald bepaald
nominatief   sofa     sofaen     sofaer     sofaene  
genitief   sofas     sofaens     sofas     sofaenes  

Zelfstandig naamwoord

sofa, m

  1. (meubel) bank, canapé , ligbank, rustbank, sofa, zitbank
Hyperoniemen


Nynorsk

Uitspraak
Woordafbreking
  • so·fa
Woordherkomst en -opbouw
  • Afkomstig uit het Arabisch
  enkelvoud meervoud
onbepaald bepaald onbepaald bepaald
nominatief   sofa     sofaen     sofaar 
  sofaer  
  sofaane 
  sofaene  

Zelfstandig naamwoord

sofa, m

  1. (meubel) bank, canapé , ligbank, rustbank, sofa, zitbank
Hyperoniemen
Afgeleide begrippen


Oudnoords

Werkwoord

sofa

  1. slapen