smoes

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • smoes
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord smoes smoezen
verkleinwoord smoesje smoesjes

Zelfstandig naamwoord

smoes v/m [2]

  1. (Jiddisch-Hebreeuws) praatje, uitvlucht, verzinsel als uitvlucht, voorwendsel [3] [4]
  2. turfkluit [5] [6]
Schrijfwijzen
Synoniemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
smoezen

smoes

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van smoezen
    • Ik smoes. 
  2. gebiedende wijs van smoezen
    • Smoes! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van smoezen
    • Smoes je? 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen