smoes

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • smoes
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord smoes smoezen
verkleinwoord smoesje smoesjes

Zelfstandig naamwoord

smoes v/m [1]

  1. (Jiddisch-Hebreeuws) praatje, uitvlucht, verzinsel als uitvlucht, voorwendsel [2] [3]
  2. turfkluit [4] [5]
Schrijfwijzen
Synoniemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen
Verwijzingen
  1. Woordenboek der Nederlandse taal
  2. etymologiebank.nl
  3. Woordenboek der Nederlandse taal
  4. etymologiebank.nl
  5. Woordenboek der Nederlandse taal

Werkwoord

vervoeging van
smoezen

smoes

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van smoezen
    Ik smoes.
  2. gebiedende wijs van smoezen
    Smoes!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van smoezen
    Smoes je?
Gangbaarheid
100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie