schteche

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Pennsylvania-Duits

Uitspraak
Woordafbreking
  • schte·che
vervoeging
tegenwoordige tijd, aantonende wijs, bedrijvende vorm
onbepaalde
wijs
schteche
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
(hot) gschtoche
enkelvoud meervoud
1e persoon ich schtech mir schteche
2e persoon du schtechscht dihr / der
dihr / der
ihr / er
ihr / er
nihr / ner
schtecht
schteche
schtecht
schteche
schteche
3e persoon er schtecht sie schteche
sie schtecht
es schtecht

Werkwoord

schteche

  1. overgankelijk prikken, steken
    «Viel Leit sin vun Mosquitos gschtoche un sie hen die Zika-Grankheit grickt.»
    Veel mensen zijn door steekmuggen worden gestoken en hebben de ziekte zikakoorts gekregen.
Opmerkingen

Werkwoord

schteche

  1. eerste persoon meervoud tegenwoordige tijd aantonende wijs bedrijvende vorm van schteche
    «mir schteche»
    wij / we prikken / steken

schteche

  1. tweede persoon meervoud tegenwoordige tijd aantonende wijs bedrijvende vorm van schteche
    «dihr / der / ihr / er / nihr / ner schteche»
    jullie prikken / steken
Schrijfwijzen

schteche

  1. derde persoon meervoud tegenwoordige tijd aantonende wijs bedrijvende vorm van schteche
    «sie schteche»
    zij / zij / ze prikken / steken