Naar inhoud springen

schipper

Uit WikiWoordenboek
  • schip·per
enkelvoud meervoud
naamwoord schipper schippers
verkleinwoord schippertje schippertjes

deschipperm

  1. (beroep) (scheepvaart) iemand die de verantwoordelijkheid heeft voor de besturing van een schip
     Het water is zo glad en de schipper is zo vakkundig dat het lijkt of de huizen bewegen in plaats van de sloep.[3]
     We varen gelijk op door het land, ik weet wat de schipper denkt: de weg is bestendig daadloos, nochtans blijft niets ongedaan.[4]
vervoeging van
schipperen

schipper

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van schipperen
    • Ik schipper. 
  2. gebiedende wijs van schipperen
    • Schipper! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van schipperen
    • Schipper je? 
99 %van de Nederlanders;
100 %van de Vlamingen.[5]
  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. schipper op website: Etymologiebank.nl
  3. Jessie Burton vert. Mieke Trouw-Luyckx
    “Het huis aan de gouden bocht” (2014), Luitingh-Sijthoff op Wikipedia, ISBN 9789021809526
  4. Michel Dijkstra
    “Taoïsme” (2022), Athenaeum - Polak & Van Gennep op Wikipedia, ISBN 9789025312657
  5. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be