schimmel

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • schim·mel
enkelvoud meervoud
naamwoord schimmel schimmels
verkleinwoord schimmeltje schimmeltjes

Zelfstandig naamwoord

schimmel v/m

  1. (dierkunde) een paardenras met een grotendeels witte vacht met fijne grijze of blauwige tekening
    • Sinterklaas rijdt op een schimmel over de daken. 
    • Schimmeltje draagt met gemak Sinterklaasje over het dak 
  2. (plantkunde) een zwamsoort of substantie die op dode of levende organismen groeit
    • Op dat blok kaas zit groene schimmel. 
Verwante begrippen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
schimmelen

schimmel

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van schimmelen
    • Ik schimmel. 
  2. gebiedende wijs van schimmelen
    • Schimmel! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van schimmelen
    • Schimmel je? 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie