schik

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • schik
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord schik
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

schik m

  1. ~ hebben in iets: door iets geamuseerd worden
    • Hij had schik in die ondeugd van een kleinzoon. 
Synoniemen
Uitdrukkingen en gezegden
  • In zijn schik zijn
blij en opgewekt zijn
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
schikken

schik

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van schikken
    • Ik schik. 
  2. gebiedende wijs van schikken
    • Schik! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van schikken
    • Schik je? 
Hyponiemen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders
95 % van de Vlamingen.

Verwijzingen