schandaal

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • schan·daal
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘aanstoot’ voor het eerst aangetroffen in 1566 [1]
  • Van het Oudgriekse σκάνδαλον [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord schandaal schandalen
verkleinwoord schandaaltje schandaaltjes

Zelfstandig naamwoord

schandaal o

  1. een zaak die iemand in opspraak brengt en waarvan mensen schande spreken
    • Het werd een schandaal. 
Synoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[3]

Meer informatie

Verwijzingen