ruw

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ruw
Woordherkomst en -opbouw
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen ruw ruwer ruwst
verbogen ruwe ruwere ruwste
partitief ruws ruwers -

Bijvoeglijk naamwoord

ruw

  1. oneffen, niet glad
    Een ruw oppervlak veroorzaakt veel wrijving.
  2. grof, onbesuisd
    Die ruwe kerel gaf hem een pak rammel.
Verwante begrippen
Verwante begrippen
Afgeleide begrippen
Vertalingen


Meer informatie

Werkwoord

vervoeging van
ruwen

ruw

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van ruwen
    Ik ruw.
  2. gebiedende wijs van ruwen
    Ruw!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van ruwen
    Ruw je?
Verwijzingen
  1. etymologiebank.nl