ruw

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ruw
Woordherkomst en -opbouw
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen ruw ruwer ruwst
verbogen ruwe ruwere ruwste
partitief ruws ruwers -

Bijvoeglijk naamwoord

ruw

  1. oneffen, niet glad
    • Een ruw oppervlak veroorzaakt veel wrijving. 
  2. grof, onbesuisd
    • Die ruwe kerel gaf hem een pak rammel. 
Verwante begrippen
Verwante begrippen
Afgeleide begrippen
Vertalingen


Meer informatie

Werkwoord

vervoeging van
ruwen

ruw

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van ruwen
    • Ik ruw. 
  2. gebiedende wijs van ruwen
    • Ruw! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van ruwen
    • Ruw je? 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. etymologiebank.nl