ruig

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ruig
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen ruig ruiger ruigst
verbogen ruige ruigere ruigste
partitief ruigs ruigers -

Bijvoeglijk naamwoord

ruig

  1. bestaande uit onregelmatige, stijve en dichte beharing
    Hij liet zijn handen glijden door de ruige vacht van zijn geliefde hond.
  2. geneigd tot onbesuisd en grof gedrag
    De waard zette die dronken ruige klanten zonder pardon buiten de kroeg.

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.