ruig
Uiterlijk
- ruig
| stellend | vergrotend | overtreffend | |
|---|---|---|---|
| onverbogen | ruig | ruiger | ruigst |
| verbogen | ruige | ruigere | ruigste |
| partitief | ruigs | ruigers | - |
ruig [3]
- bestaande uit onregelmatige, stijve en dichte beharing
- Hij liet zijn handen glijden door de ruige vacht van zijn geliefde hond.
- ▸ Soms ook gehuld in een schapevacht, een ruige muts op het hoofd en een ketting in de hand. Of verkleed als duivels... 'Zijn hier ook stoute kinderen? ??[4]
- geneigd tot onbesuisd en grof gedrag
- De waard zette die dronken ruige klanten zonder pardon buiten de kroeg.
|
|
- Het woord ruig staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- In onderzoek uit 2013 van het Centrum voor Leesonderzoek werd "ruig" herkend door:
| 100 % | van de Nederlanders; |
| 98 % | van de Vlamingen.[5] |
- ↑ "ruig" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
- ↑ ruig op website: Etymologiebank.nl
- ↑ Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
- ↑ “Het hele jaar rond: van Sinterklaas tot Sintemaarten” (1973), Lemniscaat
, p. 14 - ↑
Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be
Categorieën:
- Woorden in het Nederlands
- Woorden in het Nederlands van lengte 4
- Woorden in het Nederlands met audioweergave
- Woorden met 1 lettergreep in het Nederlands
- Woorden in het Nederlands met IPA-weergave
- Bijvoeglijk naamwoord in het Nederlands
- Woordenlijst Nederlandse Taal
- Prevalentie Nederland 100 %
- Prevalentie Vlaanderen 98 %