reikhalzen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • reik·hal·zen
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
reikhalzen
reikhalsde
gereikhalsd
zwak -d volledig

Werkwoord

reikhalzen

  1. inergatief de hals uitrekken om goed te zien
    • Er liep een groepje jongemannen te reikhalzen om beter zicht te krijgen. 
  2. inergatief (figuurlijk) vurig begeren of verlangen
    • Het volk reikhalst naar verandering. 
    • Door bij leven niet of niet écht te bestaan, kun je adequaat reikhalzen naar de dood. [2]

Gangbaarheid

96 % van de Nederlanders
95 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. etymologiebank.nl
  2. Joost Zwagerman, Het vijfde seizoen