regulier
Uiterlijk
- re·gu·lier
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | regulier | regulieren |
| verkleinwoord | - | - |
- (religie) ordesgeestelijke, kloosterling
| stellend | vergrotend | overtreffend | |
|---|---|---|---|
| onverbogen | regulier | regulierder | regulierst |
| verbogen | reguliere | regulierdere | regulierste |
| partitief | reguliers | regulierders | - |
regulier [4]
- geregeld, regelmatig
- (religie) volgens een bepaalde kloosterregel levend, tot een specifiek religieuze orde behorend
- Een reguliere kanunnik.
- [1] singulier
- Het woord regulier staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- In onderzoek uit 2013 van het Centrum voor Leesonderzoek werd "regulier" herkend door:
| 99 % | van de Nederlanders; |
| 97 % | van de Vlamingen.[5] |
- ↑ regulier op website: Etymologiebank.nl
- ↑ "regulier" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
- ↑ Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
- ↑ Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
- ↑
Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be
Categorieën:
- Woorden in het Nederlands
- Woorden in het Nederlands van lengte 8
- Woorden in het Nederlands met audioweergave
- Woorden met 3 lettergrepen in het Nederlands
- Woorden in het Nederlands met IPA-weergave
- Zelfstandig naamwoord in het Nederlands
- Religie in het Nederlands
- Bijvoeglijk naamwoord in het Nederlands
- Woordenlijst Nederlandse Taal
- Prevalentie Nederland 99 %
- Prevalentie Vlaanderen 97 %