rammen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ram·men
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
rammen
ramde
geramd
zwak -d volledig

Werkwoord

rammen

  1. overgankelijk, (militair) een opzettelijke botsing veroorzaken
    • Triremen waren toegerust om een vijandelijk schip te rammen. 
  2. overgankelijk met een zwaar voorwerp een poort of deur inslaan
    • De Geuzen ramden de poort van Brielle en namen de stad in. 
Hyponiemen
Afgeleide begrippen

Zelfstandig naamwoord

rammen mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord ram

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen

  1. etymologiebank.nl


Noors

Woordafbreking
  • ram·men

Zelfstandig naamwoord

rammen, m

  1. bepaalde vorm nominatief enkelvoud van ram

Zelfstandig naamwoord

rammen, m

  1. bepaalde vorm nominatief enkelvoud van ramme
Synoniemen