rammen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ram·men
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
rammen
ramde
geramd
zwak -d volledig

Werkwoord

rammen

  1. (overgankelijk), (militair) een opzettelijke botsing veroorzaken
    Triremen waren toegerust om een vijandelijk schip te rammen.
  2. (overgankelijk) met een zwaar voorwerp een poort of deur inslaan
    De Geuzen ramden de poort van Brielle en namen de stad in.

Zelfstandig naamwoord

rammen mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord ram


Noors

Woordafbreking
  • ram·men

Zelfstandig naamwoord

rammen, m

  1. bepaalde vorm nominatief enkelvoud van ram

Zelfstandig naamwoord

rammen, m

  1. bepaalde vorm nominatief enkelvoud van ramme
Synoniemen