batter

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • bat·ter
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord batter batters
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

batter m

  1. slaag, rammeling
  2. iemand die alles aankan
  3. (kookkunst) groot koksmes
  4. (scheepvaart) schip

Gangbaarheid

23 % van de Nederlanders;
28 % van de Vlamingen.[2]

Verwijzingen