batter

Uit WikiWoordenboek

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • bat·ter
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord batter batters
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

batter m

  1. slaag, rammeling
  2. iemand die alles aankan
  3. (kookkunst) groot koksmes
  4. (scheepvaart) schip
  5. (sport) slagman
     Als een batter de hem toegeworpen bal met zijn bat raakt en samen met zijn kompaan de pitch kan overlopen voordat een fielder van team A met de bal een wicket kan breken, scoort team B een run.[2]

Gangbaarheid

23 % van de Nederlanders;
28 % van de Vlamingen.[3]

Verwijzingen

  1. batter op website: Etymologiebank.nl
  2. Bronlink geraadpleegd op 23 maart 2023 “De kunst van het cricket kijken” (26 februari 2003), De Tijd (België)
  3. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be


Engels

Uitspraak
enkelvoud meervoud
batter batters

Zelfstandig naamwoord

batter

  1. (sport) batter [5], slagman
  2. schuinte
vervoeging
onbepaalde wijs to  batter 
he/she/it  batters 
verleden tijd  battered 
voltooid
deelwoord
 battered 
onvoltooid
deelwoord
 battering 
gebiedende wijs  batter 

Werkwoord

batter

  1. slaan
  2. beuken, bonzen
  3. rammelen