afranselen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • af·ran·se·len
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
afranselen
ranselde af
afgeranseld
zwak -d volledig

Werkwoord

afranselen

  1. overgankelijk mishandelen door middel van het toedienen van slaag
    • Hé, hou op met het afranselen van die jongen, anders bel ik de politie! 
Vertalingen

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.