rabba

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • rab·ba
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord rabba rabbot
rabba's
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

rabba v/m

  1. (Jiddisch-Hebreeuws) vrouwelijke rabbijn

Gangbaarheid

Verwijzingen


IJslands

Uitspraak
Woordafbreking
  • rab·ba
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden tijd voltooid deelwoord
(supinum)
3e pers enk. 1e pers mv.
rabba rabbar röbbuðum rabbað
zwakke
verbuiging
volledig

Werkwoord

rabba

  1. babbelen, bazelen, bomen, keuvelen, kletsen, kouten, leuteren, met iemand een praatje maken, zich onderhouden, praten, redekavelen, zwammen
    «Hún var að rabba við bróður sinn.»
    Ze zat met haar broer om een praatje te maken.

Werkwoord

rabba

  1. gebiedende wijs van rabba (verkorte vorm)
Schrijfwijzen


Oudnoords

Uitspraak
Woordafbreking
  • rab·ba
stamtijd
onbepaalde
wijs
tegenwoordige
tijd
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
rabba
rabbar
rabbaði
rabbat
Klasse 1 zwak volledig

Werkwoord

rabba

  1. babbelen, bazelen, bomen, keuvelen, kletsen, kouten, leuteren, met iemand een praatje maken, zich onderhouden, praten, redekavelen, zwammen
Synoniemen
Hyperoniemen