kletsen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • klet·sen
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
kletsen
kletste
gekletst
zwak -t volledig

Werkwoord

kletsen

  1. overgankelijk ditransitief iemand een klets geven, iemand slaan
    • Ze kletste hem een plas ijskoud water in het gezicht. 
  2. inergatief praten, babbelen
    • Hij kwam bij me zitten op het terras, en we kletsten wat. 
Uitdrukkingen en gezegden
  • ze kletsen wat af
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Zelfstandig naamwoord

kletsen mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord klets

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.