kletsen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • klet·sen
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘geluid maken’ voor het eerst aangetroffen in 1635 [1]
  • [2]
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
kletsen
kletste
gekletst
zwak -t volledig

Werkwoord

kletsen [3] [4] [5] [6]

  1. overgankelijk ditransitief iemand een klets geven, iemand slaan
    • Ze kletste hem een plas ijskoud water in het gezicht. 
  2. inergatief praten, babbelen
    • Hij kwam bij me zitten op het terras, en we kletsten wat. 
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
  • ze kletsen wat af
Vertalingen

Zelfstandig naamwoord

kletsen mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord klets

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Verwijzingen