babbelen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • bab·be·len
Woordherkomst en -opbouw
  • Een frequentatieve vorm van het verouderde babben (kinderlijk praten)
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
babbelen
babbelde
gebabbeld
zwak -d volledig

Werkwoord

babbelen

  1. inergatief gezellig praten over zaken van weinig belang
    • Vrolijk babbelend liepen zij te winkelen. 
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.