procureur

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • pro·cu·reur
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord procureur procureurs
verkleinwoord procureurtje procureurtjes

Zelfstandig naamwoord

procureur m [3]

  1. (geschiedenis) (juridisch) (beroep) iemand die de gedingvoerende partijen in een civiel rechtsgeding vertegenwoordigt zonder als raadsman op te treden
  2. fijne gerookte ham van de hals/het schouderstuk van de varkensrib zonder been
Hyponiemen
Afgeleide begrippen


Vertalingen

Gangbaarheid

93 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen