poetsen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • poet·sen
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Duits, in de betekenis van ‘reinigen’ voor het eerst aangetroffen in 1645 [1]
  • [2]
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
poetsen
poetste
gepoetst
zwak -t volledig

Werkwoord

poetsen

  1. overgankelijk door middel van wrijven zaken schoner maken
    • Hij zou de wieldoppen nog poetsen, want die waren behoorlijk smerig. 
     Elke dag het ergste vuil eraf poetsen met een natte bandana of een plons in een rivier zijn meer dan voldoende om jezelf schoon te houden.[3]
Verwante begrippen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Zelfstandig naamwoord

poetsen mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord poets

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[4]

Verwijzingen