poetskatoen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • poets·ka·toen
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord poetskatoen
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

poetskatoen m/o

  1. katoenen lappen of watten die je nergens anders voor kunt gebruiken en daarom geschikt zijn voor het schoonmaken van zaken, en zelf smerig mogen worden
    • Ook bij de familie Bylaard was niets wat het leek op Sinterklaasavond. Inwonende oma kreeg een blik met zes pakken kantenklaar maaltijden waar bij opening een dot vette poetskatoen in bleek te zitten. Oma schreef op hoge poten een brief naar de fabrikant waarna ze drie nieuwe blikken in ontvangst mocht nemen. Haar schoonzoon haastte zich om er een brief achteraan te sturen waarin hij schreef dat hij de grappenmaker was die het poetskatoen in het blik had verstopt. [1] 
    • Er lokt een pad het dorp uit en het weer is ideaal. Dan maar even verkeerd lopen. We gaan vast de polder in. Grijs en zwaar overbluft de hemel gras en riet, met nat licht en een wolkendek van poetskatoen. In de sloten bloeit de kikkerbeet, witte bloemetjes verheffen zich boven het hartvormige drijfblad. [2] 
Vertalingen

Gangbaarheid

Verwijzingen

  1. Volkskrant 25 november 2004
  2. NRC Joyce Roodnat 7 augustus 2010