pluralis

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • plu·ra·lis
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord pluralis pluralissen
pluralia
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

pluralis m

  1. (taalkunde) geval waarin een woord verwijst naar meerdere exemplaren
    • De toekenning van het bepaald lidwoord in de pluralis levert voor de kinderen en studenten geen problemen op. De studenten kennen bij elk zelfstandig naamwoord het bepaald lidwoord "de" toe en de kinderen doen dat, met één uitzondering waarbij het onbepaald lidwoord "een" gebruikt werd, ook. [4]
  2. (taalkunde) vorm die een woord aanneemt als het verwijst naar meerdere exemplaren
    • Aangezien er sprake is van nachtvlinders, van een pluralis, kan aangenomen worden dat de hoofdpersoon lange tijd - wellicht een hele nacht - als een spin in een web zit. [5]
Synoniemen
Antoniemen
Hyponiemen

Gangbaarheid

81 % van de Nederlanders;
83 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen


Latijn

Uitspraak
  • IPA: /pluːˈraː.lis/
Woordherkomst en -opbouw

Bijvoeglijk naamwoord

pluralis

  1. op meerdere betrekking hebbend
Overerving en ontlening