singularis

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • sin·gu·la·ris
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘enkelvoud’ voor het eerst aangetroffen in 1584 [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord singularis singularissen
singularia
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

singularis v/m

  1. taalkundige term voor het enkelvoud
    • Broek is singularis broeken is pluralis. 

Gangbaarheid

60 % van de Nederlanders;
71 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen