plafond

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • pla·fond
enkelvoud meervoud
naamwoord plafond plafonds
verkleinwoord plafonnetje plafonnetjes

Zelfstandig naamwoord

plafond o

  1. de bovenkant van een ruimte in een gebouw
    Het plafond stortte naar beneden.
  2. de uiterste grens
    Hij bereikte zijn plafond op dertigjarige leeftijd.
Synoniemen
Antoniemen
Vertalingen

Meer informatie


Frans

Uitspraak
  • IPA: /plɑˈfɔ̃/
enkelvoud meervoud
zonder lidwoord met lidwoord zonder lidwoord met lidwoord
  plafond     le plafond     plafonds     les plafonds  

Zelfstandig naamwoord

plafond m

  1. plafond