pionier

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • pi·o·nier
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord pionier pioniers
verkleinwoord pioniertje pioniertjes

Zelfstandig naamwoord

pionier m [2]

  1. persoon die baanbrekend werk verricht
    • Hij is een pionier op het gebied van genetica. 
  2. iemand die zich in onbekend land vestigt en een nieuw bestaan opbouwt
Synoniemen
Verwante begrippen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
pionieren

pionier

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van pionieren
    • Ik pionier. 
  2. gebiedende wijs van pionieren
    • Pionier! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van pionieren
    • Pionier je? 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen