Naar inhoud springen

malchance

Uit WikiWoordenboek
  • mal·chan·ce
  • uit het Frans
enkelvoud meervoud
naamwoord malchance malchances
verkleinwoord

demalchancev

  1. pech
    • ‘C’était la malchance,’ hoorde ik hem zeggen tegen een ploegmaat die zich bezorgd over hem heen boog. Botte pech, niet meer dan een voetnootje in de sportgeschiedenis die volgde: het voetbalwereldkampioenschap van Les Bleus, Moscou. [1] 
    • Wat 'n malchance! jammeren zij. [2] 
32 %van de Nederlanders;
77 %van de Vlamingen.[3]
  1. HP de Tijd 16/07 | 2018 door:Jeroen Wielaert HP/De Tour: On the road again
  2. (1980)–Cyriel Buysse In 't klompjesland
  3. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be


enkelvoud meervoud
zonder lidwoord met lidwoord zonder lidwoord met lidwoord
  malchance     la malchance     malchances     les malchances  

malchance v

  1. pech; misfortuin; ongeluk