parkiet

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • par·kiet
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Spaans of Portugees, in de betekenis van ‘papegaaiachtige’ voor het eerst aangetroffen in 1623 [1]
  • [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord parkiet parkieten
verkleinwoord parkietje parkietjes

Zelfstandig naamwoord

parkiet m

  1. (vogels) kleine papegaaiachtige vogel
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen