Naar inhoud springen

parkiet

Uit WikiWoordenboek
  • par·kiet
enkelvoud meervoud
naamwoord parkiet parkieten
verkleinwoord parkietje parkietjes

deparkietm

  1. (papegaaiachtigen) kleine papegaaiachtige vogel
     De kooi van haar parkiet hangt bij het openstaande fornuis, en de laatste gloed van de kooltjes beschijnt de metalen spijlen.[3]
     Ze had zelf haar hutkoffer ingepakt en haar parkiet voor het eerst in een kooi gestopt.[4]
100 %van de Nederlanders;
98 %van de Vlamingen.[5]