organisator

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • or·ga·ni·sa·tor
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord organisator organisatoren
organisators
verkleinwoord organisatortje organisatortjes

Zelfstandig naamwoord

organisator m

  1. (beroep) iemand die organiseert of die organisatietalent heeft
     Politiek en gokwereld spanden samen om Helmin Wiels te vermoorden. Dat beeld kwam naar voren in de rechtszaak tegen Burney F., gisteren op Curaçao. Ex-minister van Financiën, George Jamaloodin van de partij van Gerrit Schotte, de MFK, zou de grote organisator zijn. Samen met zijn halfbroer en gokbaas op het eiland, Robbie dos S.[3]
  2. (scheikunde) een stof die een aminozuurketen vormt
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[4]

Meer informatie

Verwijzingen