organisator

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • or·ga·ni·sa·tor
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord organisator organisatoren
organisators
verkleinwoord organisatortje organisatortjes

Zelfstandig naamwoord

organisator m

  1. (beroep) iemand die organiseert of die organisatietalent heeft
  2. (scheikunde) een stof die een aminozuurketen vormt
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen