volproppen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • vol·prop·pen
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
volproppen
propte vol
volgepropt
zwak -t volledig

Werkwoord

volproppen

  1. overgankelijk overvol maken door er nog iets bij te duwen
    • De wagen was volgepropt om op verlof te vertrekken. 
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.