optillen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • op·til·len
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
optillen
tilde op
opgetild
zwak -d volledig

Werkwoord

optillen

  1. overgankelijk iets van de grond opheffen
    • Hij probeerde zijn zoontje op te tillen, maar ervoer dat de jongen daarvoor al te groot was. 
Antoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.