optillen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • op·til·len
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
optillen
tilde op
opgetild
zwak -d volledig

Werkwoord

optillen

  1. overgankelijk iets van de grond opheffen
    • Hij probeerde zijn zoontje op te tillen, maar ervoer dat de jongen daarvoor al te groot was. 
  2. het hoofd optillen: niet meer naar beneden kijken maar vooruit of omhoog
    • Toen tilde hij het hoofd weer op en keek eerst de kring mannen rond en daarna Kleine Woord aan. [1] 
Antoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. Herzen, Frank De zoon van de woordbouwer 1970 ISBN 9062805450 pagina 32