Naar inhoud springen

tillen

Uit WikiWoordenboek
  • til·len
  • In de betekenis van ‘opheffen’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1451 [1]
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
tillen
tilde
getild
zwak -d volledig

tillen

  1. overgankelijk van de grond opheffen
    • Hij tilde zijn slapende zoontje uit zijn bedje. 
     De baardragers van de dominee zijn gisteravond langsgekomen om haar schoonzuster in een doodskist te tillen en mee te nemen, en nu wacht Maren in de crypte van de Oude Kerk op de laatste dienst die ze ooit zal bijwonen.[2]
     'Als dank, bedoel ik, voor het tillen van mijn tas.[3]
  2. overgankelijk iemand tekortdoen, niet geven waar hij recht op heeft
    • Hij doet zo aardig maar kijk uit, hij is er altijd opuit om iemand te tillen. 

detillenmv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord til
99 %van de Nederlanders;
98 %van de Vlamingen.[4]