elevar
Uiterlijk
- ele·var
elevar, mv
- onbepaalde vorm nominatief meervoud van elev
- e·le·var
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| infinitief | verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| elevar |
elevaba |
elevado |
| volledig | ||
elevar
- verheffen, opheffen, ophijsen, optillen
- «Elevar la voz.»
- De stem verheffen.
- «Elevar la voz.»
- (wiskunde) verheffen (tot een macht)
- verhogen, opvoeren
- «Elevar los costos.»
- De kosten doenstijgen.
- «Elevar los costos.»
- oprichten
- bevorderen (in rang verogen)
- indienen, voorleggen