opknappen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • op·knap·pen
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
opknappen


knapte op


opgeknapt


zwak -t volledig

Werkwoord

opknappen

  1. (ergatief) een proces van verbetering ondergaan, gewoonlijk wat betreft de gezondheid
    Na die behandeling is hij een stuk opgeknapt.
  2. (overgankelijk) verbeteringen aanbrengen
    Ze hebben het huis een stuk opgeknapt met die verbouwing.
Vertalingen