opknappen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • op·knap·pen
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
opknappen
knapte op
opgeknapt
zwak -t volledig

Werkwoord

opknappen

  1. ergatief een proces van verbetering ondergaan, gewoonlijk wat betreft de gezondheid
    Na die behandeling is hij een stuk opgeknapt.
  2. overgankelijk verbeteringen aanbrengen
    Ze hebben het huis een stuk opgeknapt met die verbouwing.
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.