knappen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • knap·pen
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘een geluid (knap) maken, met een knap breken’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1573 [1]
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
knappen
knapte
geknapt
zwak -t volledig

Werkwoord

knappen

  1. ergatief hoorbaar zijdelings bezwijken
    • De stok was klem komen zitten en in tweeën geknapt. 
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Zelfstandig naamwoord

knappen mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord knap

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
96 % van de Vlamingen.

Verwijzingen


Deens

Woordafbreking
  • knap·pen

Zelfstandig naamwoord

knappen, g

  1. bepaalde vorm nominatief enkelvoud van knap