ophalen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • op·ha·len
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
ophalen
haalde op
opgehaald
zwak -d volledig

Werkwoord

ophalen

  1. overgankelijk een voorwerp bij iets/iemand vandaan halen
  2. overgankelijk naar boven halen
  3. overgankelijk vergeten kennis of ervaringen weer bewust maken
  4. overgankelijk een hoger cijfer verwerven voor iets
    • Hij heeft zijn wiskunde aardig opgehaald. 
  5. overgankelijk een bestand van een computer of server naar een andere computer of server overbrengen
Synoniemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
  • [2] de schouders ophalen
  • [2] uit het water ophalen
  • [2] de neus ophalen voor iets
  • [3] zijn aardrijkskunde ophalen
  • [3] herinneringen ophalen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.