afhalen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • af·ha·len
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
afhalen
haalde af
afgehaald
zwak -d volledig

Werkwoord

afhalen

  1. (overgankelijk) goederen die klaargelegd zijn in bezit komen nemen
    Je kunt daar nasi of bami afhalen.
  2. door trekken van iets anders ontdoen
    Je moet er eerst de beschermfolie afhalen voordat je de oven kunt gebruiken
  3. (kookkunst) het verwijderen van de draad bij peulvruchten (en dan nog vooral bij sperziebonen)
Afgeleide begrippen
Vertalingen
Verwijzingen
  1. etymologiebank.nl