optrekken

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • op·trek·ken
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
optrekken
trok op
opgetrokken
klasse 3 volledig

Werkwoord

optrekken

  1. overgankelijk door trekken iets naar boven halen
    • Als je een riem draagt hoef je je broek niet zo op te trekken. 
  2. ergatief zich naar een bepaald doel toe bewegen, meestal ten aanval
    • Hij trok op naar de stad Samarkand en verwoestte deze. 
  3. ergatief op snelheid komen
    • De auto trok bijzonder snel op. 
  4. ergatief verdwijnen of omhoog gaan
    • De mist trok op, zodat we zagen waar we waren. 
  5. overgankelijk iets opbouwen
    • De aannemer trok het bouwwerk in enkele weken op. 
     De Nationale 7 is verbonden met de opkomst van de auto in de jaren twintig en dertig. Destijds hadden auto's kleine brandstoftanks en gingen ze vaak kapot. Daarom barst het langs de route van de pompstations en garages, veelal opgetrokken in een betonnen art-decostijl, destijds het toppunt van moderniteit. Vele zijn vervallen, sommige zijn gerestaureerd, zoals een klassiek pompstation in Valence. Het mooiste voorbeeld van deze stijl ligt strikt genomen niet aan de Nationale 7: de Citroëngarage in Lyon.[2]
  6. overgankelijk (medisch), (scheikunde) vloeistof vanuit een voorraadglas of -pot in een injectiespuit of pipet brengen
    • De analist trok 5 milliliter oplossing op in de injectiespuit. 

Zelfstandig naamwoord

optrekken mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord optrek

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen

  1. optrekken op website: Etymologiebank.nl
  2. Bronlink Weblink bron Peter Giesen “Route Nationale 7, leuker dan de Route du Soleil” (30 juli 2014), de Volkskrant