optrekken

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • op·trek·ken
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
optrekken
trok op
opgetrokken
klasse 3 volledig

Werkwoord

optrekken

  1. overgankelijk door trekken iets naar boven halen
    • Als je een riem draagt hoef je je broek niet zo op te trekken. 
  2. ergatief zich naar een bepaald doel toe bewegen, meestal ten aanval
    • Hij trok op naar de stad Samarkand en verwoestte deze. 
  3. ergatief op snelheid komen
    • De auto trok bijzonder snel op. 
  4. ergatief verdwijnen of omhoog gaan
    • De mist trok op, zodat we zagen waar we waren. 
  5. overgankelijk iets opbouwen
    • De aannemer trok het bouwwerk in enkele weken op. 
  6. overgankelijk (medisch), (scheikunde) vloeistof vanuit een voorraadglas of -pot in een injectiespuit of pipet brengen
    • De analist trok 5 milliliter oplossing op in de injectiespuit. 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.
  • op·trek·ken

Zelfstandig naamwoord

optrekken mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord optrek

Meer informatie

Verwijzingen