oogst

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • oogst
Woordherkomst en -opbouw
  • Afgeleid van Augustus.
enkelvoud meervoud
naamwoord oogst oogsten
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

oogst m

  1. het van het land halen van het rijpe gewas
    De oogst is in volle gang.
  2. de opbrengst behaald met [1]
    De oogst is bijzonder rijk dit jaar.
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
oogsten

oogst

  1. enkelvoud tegenwoordige tijd van oogsten
  2. gebiedende wijs van oogsten