oogst

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • oogst
Woordherkomst en -opbouw
  • Afgeleid van Augustus. [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord oogst oogsten
verkleinwoord oogstje oogstjes

Zelfstandig naamwoord

oogst m

  1. het van het land halen van het rijpe gewas
    • De oogst is in volle gang. 
  2. de opbrengst behaald met [1]
    • De oogst is bijzonder rijk dit jaar. 

Werkwoord

vervoeging van
oogsten

oogst

  1. enkelvoud tegenwoordige tijd van oogsten
  2. gebiedende wijs van oogsten
Verwante begrippen
Spreekwoorden
  • De oogst geschoren, de winter geboren
Wanner de oogst van het veld is beginnen de dagen danig te korten; tegen september is het al veel vroeger donker en het weer is minder goed
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen